|
200704263/1. Datum uitspraak: 16 april
2008
AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
het college van burgemeester en wethouders van
Buren, appellant,
tegen de uitspraak in zaak nrs. 06/4841, 06/4842
en 06/4843 van de rechtbank Arnhem van 11 mei 2007 in het geding
tussen:
[wederpartijen A], [wederpartijen B]
en [wederpartijen C], allen wonend te [woonplaats]
en
het college van burgemeester en wethouders van
Buren.
1. Procesverloop
Bij afzonderlijke besluiten van 18 juli 2005
heeft het college van burgemeester en wethouders van Buren (hierna:
het college) de ouders van kind [wederpartijen A], kind
[wederpartijen B] en kind [wederpartijen C] (hierna:
[wederpartijen]) voor het schooljaar 2005-2006 een vergoeding
toegekend in de kosten van aangepast vervoer van hun kinderen naar
de Cambier van Nootenschool te Tiel.
Bij afzonderlijke besluiten van 1 augustus 2006
heeft het college de daartegen door [wederpartijen] gemaakte
bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 11 mei 2007, verzonden op
dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) de
daartegen door [wederpartijen] ingestelde beroepen gegrond
verklaard, de besluiten van 1 augustus 2006 vernietigd en bepaald
dat het college nieuwe besluiten op bezwaar dient te nemen met
inachtneming van hetgeen in haar uitspraak is overwogen. Deze
uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft het college bij
brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 juni 2007, hoger beroep
ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief,
bij de Raad van State ingekomen op 18 juli 2007.
[wederpartijen] hebben een verweerschrift
ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld
op 15 januari 2008, waar het college, vertegenwoordigd door C.
Aalders en G.R.F. Berends, beiden ambtenaar bij de gemeente, en
[wederpartijen A], [wederpartijen B], zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Wet
op de expertisecentra, voor zover thans van belang, verstrekt het
college ten behoeve van schoolbezoek aan ouders van in de gemeente
verblijvende leerlingen op aanvraag bekostiging van de door het
college noodzakelijk te achten vervoerskosten. De gemeenteraad stelt
daartoe een regeling vast, met inachtneming van het bepaalde in de
volgende leden.
Ingevolge het vierde lid voorziet de regeling
erin dat het vervoer kan plaatsvinden op een wijze die voor de
leerling passend is. De regeling bepaalt op welke wijze het college
ter zake advies van deskundigen inwint.
Ingevolge het negende lid kan de regeling
bepalen dat de gemeente, in plaats van bekostiging in geld te geven,
het vervoer verzorgt of doet verzorgen.
De Verordening leerlingenvervoer gemeente Buren
2002 (hierna: de verordening) is de regeling als bedoeld in artikel
4, eerste lid, voornoemd.
Ingevolge artikel 1, aanhef en onder h, wordt
onder aangepast vervoer verstaan: vervoer per besloten
(school)busvervoer, taxi, treintaxi of bustaxi.
Ingevolge artikel 2, eerste lid, kent het
college aan de ouders van de in de gemeente verblijvende leerlingen
op aanvraag een vervoersvoorziening toe met inachtneming van het
bepaalde in deze verordening.
Ingevolge artikel 18, eerste lid en onder a,
voor zover thans van belang, verstrekt het college bekostiging op
basis van de kosten van aangepast vervoer aan de ouders van de
leerling die een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt
indien de leerling, naar het oordeel van het college, gelet op zijn
lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap niet in staat
is - ook niet onder begeleiding - van openbaar vervoer gebruik te
maken.
2.2. kind [wederpartijen B],
13 jaar oud en kind [wederpartijen C], 12 jaar oud, hebben het
syndroom van Down. kind [wederpartijen A], 15 jaar oud, heeft een
verstandelijke beperking in combinatie met autisme. Niet in geschil
is dat zij voor hun vervoer naar de Cambier van Nootenschool te
Tiel, een school voor speciaal onderwijs, zijn aangewezen op
aangepast vervoer.
2.3. Bij afzonderlijke besluiten
van 18 juli 2005 heeft het college [wederpartijen] voor het
schooljaar 2005-2006 een vergoeding verstrekt voor de kosten van
aangepast leerlingenvervoer in de vorm van een collectieve
vervoersvoorziening. Die voorziening bestaat uit het vervoer van de
kinderen in een grote bus met vijftig zitplaatsen.
Bij de besluiten op bezwaar heeft het college de
daartegen door [wederpartijen] gemaakte bezwaren ongegrond
verklaard. Daartoe heeft het college overwogen
dat de aangeboden vervoersvoorziening als passend kan worden
beschouwd, aangezien uit de ingewonnen adviezen blijkt dat er vanuit
medisch oogpunt geen bezwaar bestaat tegen het vervoer van de
kinderen in een grote bus, mits wordt voldaan aan de voorwaarde van
één-op-één begeleiding. Daarbij heeft het college zich op het
standpunt gesteld dat het tot de verantwoordelijkheid van de ouders
behoort om zorg te dragen voor de begeleiding van hun kind bij
vervoer naar school.
De rechtbank heeft de door [wederpartijen] tegen
die besluiten ingestelde beroepen gegrond verklaard. Daartoe heeft
zij vastgesteld dat de voor de kinderen noodzakelijke één-op-één
begeleiding niet door het college wordt verstrekt. Daargelaten de
vraag of de verantwoordelijkheid voor het organiseren van
begeleiding van hun kinderen tijdens het vervoer ook op de ouders
rust indien het college het vervoer zelf verzorgt of doet verzorgen,
heeft de rechtbank geoordeeld dat in dit geval
niet van [wederpartijen] kan worden gevergd dat zij hun kinderen
tijdens het vervoer begeleiden. Daarbij heeft zij in aanmerking
genomen dat deze begeleiding voor hen een totale reistijd van vier
uur per dag zou betekenen, naast de eigen werkzaamheden en zorgtaken
voor andere gezinsleden. In dit geval rust op [wederpartijen] een
zodanig zware last dat de besluiten van 18 juli 2005 in strijd met
artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht in
bezwaar zijn gehandhaafd, aldus de rechtbank.
2.4. [wederpartijen] hebben hun hoger beroep
tegen de rechtbankuitspraak bij brief van 19 juli 2007 ingetrokken,
zodat moet worden uitgegaan van de juistheid van de overweging van
de rechtbank dat het college zich op het standpunt heeft kunnen
stellen dat vervoer per grote bus voor hun kinderen passend is
indien daarbij één-op-één begeleiding plaatsvindt.
2.5. Het college betoogt dat de rechtbank ten
onrechte heeft overwogen dat in redelijkheid niet van
[wederpartijen] kan worden gevergd dat zij hun kinderen begeleiden
tijdens het busvervoer naar school. Volgens het college heeft de
rechtbank daarmee miskend dat de begeleiding van hun kinderen
tijdens het aangepast schoolvervoer tot de
verantwoordelijkheid van de ouders behoort. In dat verband wijst het
college erop dat [wederpartijen] de begeleiding van hun kinderen, al
dan niet in combinatie met henzelf, ook door anderen kunnen laten
verzorgen en dat voor die begeleiding derhalve niet het college
verantwoordelijk is.
2.5.1. Het college kan aangepast vervoer
aanbieden in een aantal verschillende vervoersvormen, welke zijn
genoemd in artikel 1, aanhef en onder h, van de verordening. Tezamen
met het bepaalde in artikel 18, eerste lid, aanhef en onder a,
voorziet de verordening in het geval dat de leerling naar het
oordeel van het college niet van het openbaar vervoer - ook niet
onder begeleiding - gebruik kan maken, er in dat het vervoer kan
plaatsvinden op een wijze die voor de leerling passend is, zoals is
bepaald in artikel 4, vierde lid, van de Wet op de expertisecentra.
In het voorliggende geval heeft het college ervoor gekozen om
aangepast vervoer te doen verzorgen in de vorm van busvervoer,
waarbij plaats is voor maximaal vijftig personen. Hiermee biedt het
college weliswaar aangepast vervoer aan in de zin van artikel 1,
aanhef en onder h, van de verordening, maar dit aanbod is niet als
passend als bedoeld in artikel 4, vierde lid, van de Wet op de
expertisecentra voor de kinderen van [wederpartijen] aan te merken,
nu daarbij niet is voorzien in de één-op-één begeleiding die voor de
kinderen van [wederpartijen] onbetwist is vereist. Nu het college
zelf de keuze heeft gemaakt voor die vervoersvorm die als passend
kan worden aangemerkt indien daarbij één-op-één begeleiding
plaatsvindt, brengt die keuze met zich, dat het ook op de weg van
het college lag om in die begeleiding te voorzien. Als uitvloeisel
van die keuze rust derhalve de verantwoordelijkheid voor de
begeleiding van de kinderen tijdens het aangepast vervoer op het
college en niet op [wederpartijen]. De Afdeling heeft daarbij in
aanmerking genomen dat in de verordening bij de regeling van de
modaliteiten van aangepast vervoer van begeleiding van een leerling
tijdens aangepast vervoer niet wordt gesproken. De rechtbank had,
alvorens aan de gemaakte belangenafweging toe te komen, de vraag of
het college de verantwoordelijkheid voor de begeleiding bij de
ouders mocht leggen, moeten beantwoorden.
Aan dit oordeel doen de door het college ter
zitting genoemde uitspraken van de toenmalige Afdeling rechtspraak
van de Raad van State van 2 december 1988 in zaak nr.
R03.88.5983/S6492, 9 november 1989 in zaak nr. R03.89.5831/S6535, 25
april 1989 in zaak nr. R03.87.3373, 5 februari 1992 in zaak nr.
R.03.90.1688, en 14 mei 1992 in zaak nr. R03.89.7315/P01, niet af,
aangezien in die zaken, anders dan hier aan de orde, sprake was van
een tegemoetkoming in de kosten van openbaar vervoer ten behoeve van
schoolbezoek. De rechtbank is derhalve, zij het ten onrechte op
grond van de onevenredige last die de begeleiding van hun kinderen
voor [wederpartijen] met zich zou brengen, terecht tot het oordeel
gekomen dat de besluiten op bezwaar dienen te worden
vernietigd.
Het betoog faalt.
2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De
aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, met verbetering van
de gronden waarop deze rust. Het college dient opnieuw op de
bezwaren te beslissen met inachtneming van deze
uitspraak.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat
geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
State
Recht doende in naam der Koningin:
I. bevestigt de aangevallen
uitspraak;
II. bepaalt dat van de gemeente Buren een
griffierecht van € 428,00 (zegge: vierhonderdachtentwintig euro)
wordt geheven.
Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak,
voorzitter, en mr. J.H.B. van der Meer en mr. D. Roemers, leden, in
tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van
Staat.
w.g. Polak w.g. Van Meurs-Heuvel voorzitter
ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 16 april
2008
47-496. |